De tourcôtes van Parijs
Stoplichten, verkeersdrempels en verdwaalde hellingen

Fietsen Natuurlijk is het gekkenwerk, maar het idee is te leuk om te negeren. Daarom duiken we met onze fiets Parijs in op zoek naar de hellingen die de deelnemers aan de Tour de France ook moeten bedwingen. Wat volgt is een absurde tocht volgt langs de goudkusten van Parijs, door de arme buitenwijken en desolate winkelcentra.

”Allez les Blues”, roept een jongentje vanuit een auto naar ons. Anderen staan met open mond te kijken terwijl het verkeer rakelings langs ons heen scheert. Het is duidelijk dat wielrenners in de buitenwijken van Parijs geen alledaags verschijnsel zijn. Toch komt ook hier in Le Raincy eens per jaar de bonte stoet van de Tour de France voorbij. Maar ja, dan zijn de straten natuurlijk wel afgesloten voor het overige verkeer.

Het idee om de Parijse côtes te beklimmen, komt van Mark Hink uit Heidelberg. Mark wil namelijk alle côtes en colls bedwingen waar ook de renners in de Tour de France over heen moeten. Dat is natuurlijk prima te doen in de Pyreneeën, de Alpen of de Elzas, maar hoe doe je dat in Parijs? De kans doet zich voor als we tijdens de rustdag tussen het rijden van Parijs-Tours en Parijs-Brussel neerstrijken in een hotel in Magny-le Hongre, onder de rook van Disneyland. Mark tovert een kaartje tevoorschijn, waarop hij een route heeft uitgetekend die leidt langs dertien van de Parijse côtes die de Tour de laatste twintig jaar aandeed. Het merendeel ligt ten zuiden en ten zuidwesten van Parijs aan de oevers van de Seine en de Marne. Spectaculair zijn de klimmen niet. De hoogste is de Côte de Gif-sur-Yvette die 176 meter telt. Logischerwijs bedwingen de Tourrijders de Parijse hellingen in de laatste etappe op weg naar de Champs-Elysees, dat zelf overigens ook wordt aangeduid als een côte. De route van gaat over elf hellingen van de vierde en twee van de derde categorie, hoewel je die categorieën met een korreltje zout moet nemen. Zo was de Côte de Pave des Gardes in 1978 nog van de vierde categorie, maar de tien keer daarna dat hij in de Tour zat, kreeg dezelfde helling ineens het etiket derde categorie. We zouden ons onderweg vaker verbazen over de categorie-indeling. Inmiddels hebben Mark en ik een derde slachtoffer gevonden. De Arnhemmer Erik de Bos voelt ook wel voor een waanzinnige tocht door Parijs. Mark schat het totale rondje in op 180 tot 200 kilometer. Dat vinden we een ietwat te grote afstand om op een namiddag te rijden en besluiten het rondje in te korten tot ongeveer 90 kilometer, waarin we dan wel zeven hellingen van de vierde categorie aandoen.

We vertrekken rond een uur of drie van Magny-le-Hongre en nemen de grote ringweg rond Disneyland en rijden al snel de buitenwijken van Parijs binnen. Bij Lagny volgt een scherpe afdaling naar de Marne en al snel rijden we door la Pomponette, een klein wijkje waar de hoge hekken en beveiligingscamera’s rond de huizen verraden dat hier niet het armste deel van de Parijse bevolking woont. Voor ons is het vooral uitkijken voor de talloze verkeersdrempels, maar verder valt hier goed te rijden. Niet ver daarna klimmen we naar Villevaude, een mooie klim van 6 procent over 1500 meter die uitkomt in het oude centrum van deze wijk. Enige nadeel is dat de Tour deze helling nooit heeft aangedaan, zodat hij voor deze rit niet meetelt. Vanuit Villevaude, dat nog echt een dorpse uitstraling heeft, duiken we naar beneden en komen vervolgens in de echte buitenwijken van Parijs. Huizen maken plaats voor hoge flatgebouwen, terwijl het dan toe gemoedelijke verkeer steeds drukker wordt. Bij Coubron mogen we vervolgens de eerste officiële helling beklimmen, de Côte de Coubron die Ludo Peeters in 1984 als eerste bedwong. Dat was overigens niet in de laatste, maar in de eerste etappe van die tour. Peeters kreeg daarmee direct de bolletjestrui om zijn schouders. De cote zelf stelt niet veel voor. Het is een brede weg die je in 1000 meter 50 meter hoger brengt. Door de breedte van de weg hebben we gelukkig geen last van het voorbijdenderende verkeer.

Direct hierna doemt de Côte de Montfermeil op, want dat blijkt de andere kant van de Côte de Coubron te zijn. We denderen omlaag op de plaats waar Christophe Moreau in 2004 als eerste bovenkwam. Het laatste stukje van de afdaling gaat zelfs met 10 procent omlaag. Ineens doemt na een bocht vlak voor ons een rood verkeerslicht op. Onze remmen blijken gelukkig goed te functioneren. We rijden inmiddels door het verschrikkelijk drukke Le Raincy. Daar rijden we de Côte de Gagny op, hoewel we de kaart eerst uitgebreid raadplegen of we nu toch echt op een klim van de vierde categorie rijden, het wegdek gaat immers amper omhoog. Het is dan wel een lange ‘klim’, maar de 3 procent haalt hij niet. Dat was dus een eitje voor – alweer – Ludo Peeters die op deze helling destijds als eerste bovenkwam. Het karakter van deze wijk is totaal anders dan de wijken waar we eerder doorheen reden. We zien flatgebouwen, vervallen huizen en verloederde straten. We zouden hier niet graag midden in de nacht rijden, maar overdag reageren de mensen enthousiast op drie wielrenners tussen het vele blik. Kinderen houden vanuit het autoraampje hele verhalen tegen ons op in zo een rap Frans dat werkelijk alles ons ontgaat. De verkeerslichten beginnen ons inmiddels flink op de zenuwen te werken. De Côte de Rosny-sous-Bois (Tour 1984) en de Côte de Baltard (Tour, 1981) vallen nog wel te doen, maar op de Côte de Chennevières-sur-Marne (Tour 1984) staan om de honderd meter verkeerslichten terwijl er geen zijstraat is te bekennen. We nemen deze verkeerslichten dan ook maar op zijn Amsterdams, wat wil zeggen dat we ze volkomen negeren.

Uiteindelijk bereiken we na ongeveer zestig kilometer de zevende en laatste helling van de tocht, de Côte d'Ormesson. Het is een mooie klinkerweg omhoog, waar de Fransman Christian Jourdan in 1983 als eerste boven kwam. Wij klimmen soepel langs de file stilstaande auto’s naar boven. Daar komen we uit bij een deprimerend mega-winkelcentrum. Dan volgen nog bijna dertig kilometer terug naar Disneyland dat we bereiken via de extreem drukke N4 met als toegift enkele rustige en mooie wegen door het Fôret d’Armainvillers. Drie uur later staan we weer bij Eurodisney. Met 97 kilometer en ruim 700 hoogtemeters op de teller. Maar belangrijker: we hebben de meest waanzinnige tocht ooit achter de rug.

Vorige pagina