Oscarnominatie voor UAF-cliënt Hany Abu-Assad
’Vrijheid is geen abstract begrip’

De Oscarnominatie betekent een erkenning voor mij en voor de Palestijnen, net zoals ik het als een erkenning voelde dat ik in Nederland mocht studeren. Dat stelt Hany Abu-Assad die momenteel in Los Angelos verblijft voor de opname van zijn nieuwe film LA-Caïro. En natuurlijk voor de uitreiking van de Oscars waarvoor zijn film “Paradise Now” is genomineerd als beste buitenlandse film. ‘De prijzen laten zien dat je ook via de cultuur de pijn van de Palestijnen onder de aandacht kan brengen.’

’Er is nooit één reden waarom je iets doet’, vertelt Hany Abu-Assad, nadat hij zich even los weet te maken van zijn drukke werkzaamheden voor zijn nieuwe film in Hollywood. ‘Abu-Assad studeerde in de jaren tachtig vliegtuigbouwkunde aan de Hogeschool Haarlem met steun van het UAF. Hij werkte ook een tijdje als vliegtuigbouwkundige in Veenendaal, maar begin jaren negentig maakte hij ineens een radicale ommezwaai in zijn carrière. Niet om één bepaalde reden, dus. ‘Ik voelde me in die tijd ongelukkig, ik voelde me nergens echt thuis. Misschien had dat wel te maken met mijn (vlucht) vertrek uit Palestina, maar ik denk toch eerder met mijzelf en de crisis in mijn relatie.’
Abu-Assad besloot daarop voor het eerst in acht jaar terug te keren naar Nazareth. ‘Om opnieuw mijn land te ontdekken’, zo zegt hij. Een toevallige ontmoeting met de Palestijnse regisseur (Tawfik Abu Wael) Rashid Masharawi verandert zijn leven. Toeval, noemt Abu-Assad het ook zelf. ‘Achteraf kan ik die stap beredeneren, maar op dat moment niet. Kijk, als vliegtuigbouwkundige mag je wel fantasie hebben, maar je mag nooit enig risico nemen. Je kunt niet op je gevoel zeggen dat een vleugel misschien iets naar achteren moet, want dan gaat zo’n vliegtuig de lucht niet meer in. Bij het maken van een film mag je juist wel risico’s nemen. Je weet nooit van tevoren of je een goede acteur neemt, of een camerabeweging goed is, of je de goede toon weet aan te slaan. Dat kan wel eens verkeerd uitpakken, maar de gevolgen zijn niet zo groot als in de vliegtuigtechniek.’

De risico’s die Abu-Assad nam in de filmindustrie pakten overigens niet verkeerd uit. Hij begon met productiewerk voor de BBC en Channel 4 en schreef en regisseerde in 1992 zijn eerste korte film “Paper House”. De film handelt over een dertienjarige Palestijns jongetje die zijn huis probeert op te bouwen nadat het Israëlische leger dat heeft vernietigd. Abu-Assad brak in 1998 door bij het grote publiek met de door Arnon Grunberg geschreven film “Het veertiende kippetje”. Vervolgens draaide hij de films “Nazareth 2000”, “Rana’s wedding”, “Ford Transit” en “Paradise Now”, die internationaal in de prijzen vallen, met als voorlopig hoogtepunt de winst van de Golden Globe en de Oscarnominatie in 2006 voor “Paradise Now”.
Abu-Assad nam vooral risico’s bij de keuze van zijn onderwerpen die vrijwel allemaal zijn terug te voeren op de Palestijnse kwestie. Zo handelt “Paradise Now” over de laatste 24 uur van twee Palestijnse vrienden die een zelfmoordaanslag gaan uitvoeren in Tel Aviv. Vanwaar die onderwerpkeuze? Abu-Assad: ‘Ik ben Palestijn en Nederlander, ik heb in Nazareth gewoond en in Amsterdam. Maar als Nederlander heb ik het veel makkelijker dan als Palestijn. Als ik mijn familie in Palestina bezoek, gaat dat niet zomaar. Dan zijn er altijd problemen. Dat doet pijn. Die gebeurtenissen hebben veel meer impact dan hetgeen in Nederland gebeurt. Ze laten zien dat vrijheid geen abstract begrip is. En dat is hetgeen ik in mijn films wil laten zien.’
Abu-Assad zei in zijn dankwoord tijdens de uitreiking van de Golden Globes op 16 januari 2006 dan ook: ‘Het betekent erkenning. De Palestijnen verdienen vrijheid en gelijkheid.’ Wat wilde hij daarmee zeggen? ‘Palestijnen zoeken de vrijheid omdat ze zich bedreigd voelen’, legt hij uit. ‘De een doet dat met gewelddadige acties, de andere door middel van cultuur. Het winnen van de Golden Globe en de Oscar-nominatie laten de Palestijnen zien dat er hoop is, dat er erkenning is voor hun (cultuur) verhaal. Het laat zien dat je ook via de cultuur, via een civiele weg de pijn van de Palestijnen onder de aandacht kan brengen. Zo voelen de Palestijnen het zelf ook. Toen de film de Golden Globe won, waren de mensen op straat blij. Echt blij.’

Dan trekt Abu-Assad zelf een parallel met de tijd dat hij vliegtuigbouwkunde studeerde in Nederland. Hij koos destijds als negentienjarige voor de studie vliegtuigbouwkundige omdat die studie wel “sexy” klonk. ‘Het is toch fantastisch dat je zo een ding van 500 ton op de lucht kan laten drijven. Dat vind ik nog steeds iets fascinerends.’ Maar er was nog een reden om vliegtuigbouwkunde te kiezen; het was een keuze voor de vrijheid. ‘Het was natuurlijk ondenkbaar dat ik in Israël vliegtuigbouwkunde had kunnen studeren. Die studiekeuze was daar onmogelijk. Toen ik uiteindelijk ook een beurs van het UAF kreeg, betekende dat voor mij een erkenning. Het was voor mij bijna niet voor te stellen dat ik geld kreeg om te kunnen studeren. Ineens was ik onafhankelijk, vrij. Zoiets had ik nog nooit eerder meegemaakt. Die studie was voor mij dan ook enorm belangrijk. Kijk, uiteindelijk wisten ze op het UAF ook wel dat ik niet echt blij meer was met mijn studiekeuze, maar ze hebben me enorm geholpen en gestimuleerd om de studie alsnog af te maken. Dat deed me goed, dat er een instelling was die zich zo bekommerde om mijn toekomst.’
Die toekomst zit inmiddels wel goed. Zoals gezegd is Abu-Assad nu bezig met zijn film LA-Caïro en hij heeft al een tweede Hollywoodfilm in voorbereiding. Hij blijft dus voorlopig nog wel even in Los Angelos wonen. ‘Maar’, zegt hij, ‘mijn droom is het om terug te keren naar Nazareth. Ik besef dat ik nu een bevoorrechte Palestijn ben en ik wil graag terug om samen met Palestijnse collega’s mijn kennis en ervaring te delen.’

Vorige pagina